29 Brakwaterschorren Zeeschelde

De geosite omvat de Schelde, inclusief buitendijkse schorren, van Burcht tot de Belgisch-Nederlandse grens. De schorren beslaan in deze geosite slechts een zeer beperkte oppervlakte: ze vormen een smalle strook (100 à 350 m breed) in de binnenbochten van de Schelde. De buitendijkse schorren liggen op 5 à 6 m TAW. Dat is hoger dan de binnendijkse gebieden van de Wase Polders (1,5 à 4 m TAW) en lager dan de opgehoogde industriële en stedelijke zones (6,5 à 8,5 m TAW). 
De Schelde is in deze zone 350 m tot ruim 1 km breed en staat onder invloed van het getij. Het betreffende deel van het estuarium kent een grote gradiënt in zoutgehalte op korte afstand en sterke schommelingen in zoutgehalte doorheen het jaar. Het is dan ook de zone waar getijdenvegetaties met riet en wilg voorkomen naast zoutminnende plantensoorten. Deze laatste nemen toe in stroomafwaartse richting
 

51.363857789812, 4.2460558674438

Ontstaan van het landschap

Tijdens een deel van het Pleistoceen was er nog geen sprake van de Schelde in dit gebied, afwatering gebeurde via de Vlaamse Vallei. Op het einde van de laatste ijstijd werd deze vallei afgedamd door de dekzandrug Maldegem-Stekene en nam de Schelde zijn huidige loop aan. Het is dus pas sinds het begin van het laatglaciaal dat de Schelde Antwerpen passeert. Een allerlaatste koude fase zorgde voor een kaal landschap en vorming van dekzandruggen. Vanaf het Vroeg Holoceen ontwikkelden zich opnieuw bossen. Deze hielden de neerslag beter vast en verhinderden erosie, daarom verandert de Schelde in een kleine stroom binnen een moerasbos. Ongeveer 6500 jaar geleden bereikte het getij voor het eerst sinds de laatste ijstijd de regio. Tijdens deze fase werd de veenontwikkeling onderbroken door slikken en schorren. Ongeveer 500 jaar later verdween de getijdenwerking opnieuw en hernam de vorming van het veenmoeras dat tegen 5000 jaar geleden al de hele vallei bedekte.

Slikken en schorren

Ongeveer 2500 jaar geleden brak de barrière van kustduinen in Zeeland door. Het getij kon hierdoor makkelijker het land binnendringen. Opnieuw maakten veengebieden plaats voor slikken en schorren. Vanaf de 13e eeuw na Chr. werden de gebieden langs de Schelde ingepolderd en werd het slikken- en schorrenlandschap beperkt tot een smalle zone langs de Schelde, zoals dat vandaag nog steeds het geval is.